Bepalen van de belichting

Wat achtergrond informatie

Bij film is je belichting een van de meest belangrijkste factoren waar je rekening moet mee houden. Er zijn film types waarbij je een vrij groot dynamisch bereik hebt.

Negatief films dit kan gaan tot 13 stops, en als je zelf ontwikkeld kan je via push & pull kan je dynamische scenes nog groter maken.

Kleur positive (dia) daaraan tegen heeft een veel kleiner bereik +/- 5 stops en je kan dit niet manipuleren tijdens de ontwikkeling.

Wat je zeker niet mag vergeten is dat film moeilijk omgaat met donkere partijen, vandaar de frase: meter for the shadow and develop for the highlights. Zorg dus dat je schaduw partijen altijd correct gemeten zijn je kan deze moeilijk recupereren, zwart is zwart als er geen detail meer is.

Het Zone system

Het zone-systeem is een techniek die in de jaren dertig van de vorige eeuw door Ansel Adams en Fred Archer werd geformuleerd. Het is een benadering van een gestandaardiseerde manier van werken die een correcte belichting garandeert in elke situatie, zelfs in de lastigste lichtomstandigheden zoals achtergrondverlichting, extreme verschillen tussen licht- en schaduwgebieden van een scène, en vele vergelijkbare omstandigheden.

Voordelen van het gebruik van het zone-systeem

  • Het vastleggen van een correcte belichting elke keer, zelfs in de lastigste licht- of scènesituaties.
  • Een nauwkeurige evaluatie van de tonen en het dynamisch bereik van uw scène voordat je zelfs maar een opname maakt.
  • Weten wanneer je gebruik moet maken van graduele neutrale filters.

Zone 0: Totaal zwart zonder detail.
Zone I: Effectieve drempel met lichte tonaliteit, maar geen textuur.
Zone II: Eerste suggestie van textuur die het donkerste deel van het beeld weergeeft waarin een klein detail nodig is.
Zone III: Gemiddelde donkere materialen en lage waarden die een adequate textuur laten zien.
Zone IV: Landschapsschaduw en schaduwwaarde voor lichte huid in het zonlicht.
Zone V: Middengrijs (18% reflectie), donkere huid, grijze steen, gemiddeld verweerd hout in het zonlicht.
Zone VI: Gemiddelde lichte huidwaarde in zonlicht, diffuus dakraam of kunstlicht, schaduwen op sneeuw in zonlicht.
Zone VII: Lichtgrijze objecten en gemiddelde sneeuw met scherpe zijverlichting.
Zone VIII: Witten met textuur en delicate waarden.
Zone IX: Wit zonder textuur dat zuiver wit nadert, sneeuw in vlak zonlicht.
Zone X: zuiver wit.

De belangrijkste concepten van het zone-systeem

Het zonesysteem verdeelt een scène in 10 zones op de toonschaal (er zijn echter variaties van 9 en 11 zones). Aan elk toonbereik wordt een zone toegewezen. Elke zone verschilt van de zone ervoor met 1 stop, en van de zone erna met 1 stop. Elke zoneverandering is dus gelijk aan 1 stop verschil. Zones worden geïdentificeerd door romeinse getallen, waarbij de middelste toon (met 18% reflectie) is zone V.

Bij analoge fotografie zitten we gelukkiger ruimer, het donkerste deel plaatsen we in zone II. Dit geeft je donkere schaduwen met toch nog voldoende detail. De heldere partijen plaats je in zone IX.

Voor digitale fotografen gaat het alleen om de zones III tot en met VII (zones 3 tot en met 7). Het donkerste deel van een scène zou in zone III vallen, terwijl het helderste deel van een scène in zone VII zou vallen. Alles wat donkerder is dan zone III zou als puur zwart worden weergegeven zonder detail (onderbelicht), terwijl alles wat helderder is dan zone VII als puur wit zou worden weergegeven zonder detail (overbelicht).

De belangrijkste concepten van het zone-systeem

Het zonesysteem verdeelt een scène in 10 zones op de toonschaal (er zijn echter variaties van 9 en 11 zones). Aan elk toonbereik wordt een zone toegewezen. Elke zone verschilt van de zone ervoor met 1 stop, en van de zone erna met 1 stop. Elke zoneverandering is dus gelijk aan 1 stop verschil. Zones worden geïdentificeerd door romeinse getallen, waarbij de middelste toon (met 18% reflectie) een zone V is.

Als je je camera richt op een gebied met een gemiddelde reflectie en de juiste meterstanden (een nul op de lichtmeter) verkrijgt, zou dat gebied als gemiddeld worden weergegeven. Als je je lens opent of je sluitertijd met één stop vertraagt, wordt dat gebied met één stop overbelicht. Als je je lens sluit of uw sluitertijd met één stop verhoogt, zal dat gebied met één stop onderbelicht raken.


Oude huisjes vismarkt
Oude huisjes vismarkt

Hoe heb ik nu bovenstaande scène gemeten ?

Ik begin altijd eerst met het zoeken van de meest donkere objecten in de scène, eens ik de meest donkere heb gevonden plaats ik deze in het geheugen van de meter.
Voor deze foto zijn het de ramen en deuren.

Belichting voor een ISO 400 film (gemeten op ISO 320) voor f16.
Waarom op ISO 320 en niet op ISO 400? De film keuze was voor Kodak Portra en deze film is op zijn best als je deze wat ‘overbelicht’, het zelfde voor de zw/w versie hiervoor heb ik gekozen voor Ilford Delta 100

1/30

Dan is het tijd voor de heldere objecten, hier is het vrij makkelijk de lucht, en je kiest best voor de meest heldere wolk. Plaats deze waarde ook in het geheugen.

1/1000

Nu kan je de gemiddelde belichting laten berekenen

1/125

Hoe ga je nu om met deze waarde ?

De makkelijke manier:

Je gaat nu je objecten terug meten, en kijken wat de meter terug aangeeft.
Ik het meter venster kan je zien hoeveel stops in + of – dit verschil van de gemiddelde belichting.
Zolang deze waarden minder zijn dan +3 en -3 heb je een belichting die perfect zal zijn.

De rekenwijze:

Donkere partijen

1/30 (zone V) -> 1/60 (zone IV) -> 1/125 (zone III) = 2 stops. Perfect er is veel detail in de donkere partijen.

Heldere partijen

1/1000 (zone V) -> 1/500 (zone VI) -> 1/250 (zone VII) -> 1/125 (zone VIII) = 3 stops. Ook goed, er is nog steeds detail in de wolken.

Onze scene valt perfect in de zones II en IX, wat als dit niet zou zijn of ik een kleur positive (dia) had gebruikt.
Dan moet je gebruik maken van een graduele graduele neutrale filter.